DE SLAG BIJ DE GRACHT
Deze slag wordt ook de Slag van de Ahzâb genoemd. Ahzâb is het meervoud van het woord hizb. Hizb betekent partij, groep, deel. Omdat bij deze veldtocht verscheidene partijen zich verenigden om tegen Rasûlullah te strijden, werd hij de Slag van de Ahzâb genoemd. Het was het vijfde jaar van de Hijra. De joodse zonen van Nadîr, een bron van onrust en verderf, die uit Madîna al-Munawwara waren verdreven, hadden zich in groepen gesplitst: een deel was naar Syrië (Shâm) gegaan, een ander deel naar Khaybar. Maar wrok en wraakgevoelens tegen de islam en tegen onze Meester de Profeet hadden hun harten in hun greep. Hun leider Huyayy ibn Akhtab ging met twintig man, die hij uit de voornaamsten van zijn volk om zich heen had verzameld, naar Mekka. Zij spraken met Abû Sufyân en gingen met hem om de tafel zitten om een plan te smeden om de gezegende persoon van onze geliefde Profeet uit de weg te ruimen. Zij zeiden: “Tot wij deze zaak hebben afgehandeld, zullen wij bij jullie blijven en niet van jullie zijde wijken!” Abû Sufyân zei: “Wie de vijand van onze vijand is, is bij ons welkom. Maar om jullie te kunnen vertrouwen, moeten jullie onze afgoden aanbidden. Pas daarna kunnen wij aannemen dat jullie oprecht zijn en kunnen wij gerust zijn.” De verraderlijke joden, die om hun doel te bereiken zelfs hun religie prijsgaven, wierpen zich voor de afgoden ter aarde neer… Van ongelovigen met een Boek werden zij ongelovigen zonder Boek. Zij zwoeren onze geliefde Profeet uit de weg te ruimen en de religie van de islam te vernietigen.
De afgodendienaren begonnen onmiddellijk met de voorbereidingen voor de oorlog. Zij stuurden ook mannen naar de naburige stammen van afgodendienaren. Ook de joden kwamen in actie om verscheidene stammen over te halen. Sommige stammen bewapenden zij door hun geld en dadels te beloven. De afgodendienaren hadden uit de omgeving van Mekka een grote strijdmacht van vierduizend man op de been gebracht. Abû Sufyân bond in Dâr an-Nadwa de banier vast en gaf die aan ’Uthmân ibn Talha. In het leger waren driehonderd paarden, wapens in overvloed en vijftienhonderd kamelen.
Toen het leger van vierduizend afgodendienaren bij Marr az-Zahrân aankwam, brachten vele stammen – de zonen van Sulaym, de zonen van Fazâra, de Ghatafân, de zonen van Murra, de zonen van Asad – met een versterking van zesduizend man het aantal van het leger van de afgodendienaren op tienduizend. Voor die tijd was dat een zeer grote strijdmacht.
De stam Khuzâ’a, die sinds lang bevriend was met Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam), liet het nieuws onmiddellijk naar Medina overbrengen: een ruiter die een weg van tien dagen in vier dagen aflegde, bracht onze Meester de Profeet tot in bijzonderheden op de hoogte van de toestand van de afgodendienaren.
Onze geliefde Profeet, die zijn zaken in overleg met de Metgezellen regelde, riep hen onmiddellijk bijeen en besprak met hen de toestand. Iedere Metgezel deed zijn voorstel over waar en hoe de strijd gevoerd moest worden. Salmân Fârisî, die deel uitmaakte van deze raad, nam het woord en zei:
“Yâ Rasûlallah! Bij ons kennen wij een krijgslist: wanneer wij vreesden dat de vijand ons zou overvallen, groeven wij een gracht (khandaq) om ons heen en verdedigden wij ons zo.” Deze werkwijze beviel onze Meester de Profeet en de Metgezellen, en men besloot op deze manier met de vijand te strijden.1
Onze Meester de Profeet nam onmiddellijk enkele van zijn Metgezellen mee en ging verkennen waar de gracht gegraven moest worden. De zuidkant van Medina bestond uit tuinen en was met dichte bomen begroeid. De kans dat de afgodendienaren van daaruit massaal zouden aanvallen, was gering.
“Verheug je, o ’Âisha! Haqq ta’âlâ heeft je onschuld bekendgemaakt. Hij heeft getuigd van je reinheid” Hadîth sharîf
Bovendien kon een kleine strijdmacht deze kant verdedigen. In het oosten woonde de joodse stam Banû Qurayza, met wie een verdrag was gesloten. Daarom konden de afgodendienaren alleen aanvallen over het open terrein aan de west- en noordkant. Aan deze kanten werden de plaatsen vastgesteld waar de gracht gegraven zou worden. Op iedere Metgezel viel ongeveer drie meter. Ieder zou het stuk dat hem was toegevallen twee manslengten (ongeveer 3,5 meter) diep uitgraven, en de gracht zou zo breed worden (7–8 meter) dat een paard in volle galop er niet overheen kon springen. Er was weinig tijd. De vijand had Mekka verlaten en trok op naar Medina. De gracht moest zo snel mogelijk gegraven worden.
Onze geliefde Profeet gaf, zelf voorop, samen met zijn heldhaftige Metgezellen de eerste houweelslag met de woorden “Bismillâhir-rahmânir-rahîm”. Iedereen werkte uit alle macht om de gracht zo snel mogelijk te graven. Zelfs de kinderen deden mee. Voor onze Meester Rasûlullah werd op de heuvel Dhubâb een Turkse tent opgezet.2 De aarde die uit de gracht kwam, werd in manden rondom deze heuvel gestort, en op de terugweg sleepten zij van de berg Sal’ stenen aan om naar de vijand te werpen. Wie geen mand kon vinden, droeg de aarde in de slip van zijn kleed. Ook onze geliefde Profeet werkte tot hij moe was. Wanneer de Metgezellen dat zagen, kregen zij nieuwe ijver. Zij zeiden tegen hem: “Moge ons leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Ons werk is genoeg. Werkt u niet; rust u uit”, maar hij antwoordde: “Ook ik wil door te werken deel hebben aan de beloning die jullie verdienen.”
In die dagen was het zeer koud. Bovendien heerste er dat jaar door de droogte hongersnood. Het was ook erg moeilijk voedsel te vinden. Alle Metgezellen, de Meester der werelden inbegrepen, leden verschrikkelijke honger. Om zich sterk te voelen, bonden zij van honger een steen op hun buik; door hun maag samen te drukken probeerden zij hun behoefte aan eten te stillen. Onze geliefde Profeet, die als barmhartigheid voor de werelden was gezonden, dacht niet aan zijn eigen honger. Het deed hem veel verdriet dat zijn Metgezellen in deze kou hongerig werkten en zoveel moeite doorstonden; hij had medelijden met hen en deed deze smeekbede: “O Allah! Er is geen leven (dat gewenst kan worden) dan het leven van het hiernamaals. O mijn Heer! Vergeef de Ansâr en de Muhâjirûn!” En zij antwoordden Habîb-i akram, die zij meer liefhadden dan hun eigen leven: “Wij volgen onze Meester Rasûlullah tot het einde van ons leven om op de weg van Allâhu ta’âlâ de religie van de islam te verbreiden.” Deze wederzijdse liefde rukte zoveel ontberingen als honger en dorst met wortel en tak uit.
Er flitste een bliksem
Het graven van de gracht begon iedere dag vroeg in de morgen en duurde tot de avond. Op een dag raakte ’Alî ibn Hakam tijdens het graven aan zijn voet gewond. Zij zetten hem op een paard en brachten hem bij onze Meester de Profeet. De Meester der werelden streek met de woorden “Bismillâhir-rahmânir-rahîm” over zijn voet. Als een wonder van onze Meester hield het bloeden van zijn voet ogenblikkelijk op en verdween de pijn. Het graven ging verder. Op een gegeven moment stuitten de Metgezellen op een zeer harde plek. Het was onmogelijk daar te graven. Zij gingen naar Rasûl-i akram en lieten hem weten hoe het ervoor stond. Hij kwam en daalde in de gracht af. Hij vroeg om een kom water. Hij nam er een slok van en liet die weer in de kom terugvloeien. Daarna sprenkelde hij het water over de harde plek. Hij nam de voorhamer en sloeg die plek met één slag uiteen alsof het zand was. Nu liet de grond zich daar gemakkelijk uitgraven. Bij deze slag kwam de gezegende buik van onze geliefde Profeet bloot, en de aanwezigen zagen dat onze Meester van honger een steen op zijn gezegende maag had gebonden. Toen Jâbir ibn ’Abdullah onze Meester Rasûlullah in deze toestand zag, ging hij naar hem toe en vroeg toestemming: “Mogen mijn vader en moeder voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Als u het toestaat, ga ik even naar huis en kom ik terug.” Wat er gebeurde nadat hij toestemming had gekregen, vertelde Jâbir als volgt:
“Toen ik toestemming had gekregen, ging ik naar huis en vroeg mijn vrouw: ‘Ik heb bij de Rasûl ‘alayhis-salâm zo’n honger gezien dat het niet om aan te zien is. Is er in huis iets te eten?’ Zij zei: ‘Er is niets anders dan dit geitje en een paar handenvol gerst.’ Ik slachtte het geitje onmiddellijk, en mijn vrouw maalde de gerst in de handmolen tot meel. Daarna kneedde zij er deeg van. Zij deed het vlees in een aarden pot en begon het in de leemoven (tandûr) te koken. Toen ik naar Rasûlullah terugging, drukte mijn vrouw mij ernstig op het hart dat wij niet beschaamd mochten komen te staan omdat het eten zo weinig was. Daarop ging ik naar onze Meester Rasûlullah en zei: ‘Yâ Rasûlallah! Ik heb een heel klein maal. Neemt u een of twee mensen mee en komt u bij ons eten!’
Onze Meester Rasûlullah zei tegen mij: ‘Zeg tegen je vrouw dat zij de pot met vlees en het brood niet uit de oven haalt tot ik kom.’ Daarna wendde hij zich tot de mujâhids en zei: ‘O mensen van de Gracht! Jâbir heeft een maaltijd voor ons klaargemaakt en nodigt ons uit om te eten. Zijn eten is overvloedig en goed. Sta op! Wij gaan naar de maaltijd van Jâbir!’ Op dit bevel verzamelden de Metgezellen zich en begonnen achter onze Profeet aan te lopen. Ik ging haastig naar huis, vertelde mijn vrouw wat er gebeurd was en zei: ‘Wat moeten wij nu doen?’ Zij vroeg mij: ‘Heeft de Rasûl ‘alayhis-salâm niet gevraagd hoeveel eten er was?’ Ik zei: ‘Hij heeft het gevraagd en ik heb het gezegd.’ Mijn vrouw vroeg: ‘Heb jij de Metgezellen uitgenodigd, of onze Meester Rasûlullah?’ Toen ik zei: ‘Rasûlullah heeft hen uitgenodigd’, stelde zij mij gerust met de woorden: ‘De Rasûl ‘alayhis-salâm weet het het best.’
Even later verscheen het stralende gelaat van onze Meester de Profeet aan onze deur. Tegen de vele Metgezellen zei hij: ‘Kom binnen zonder elkaar te verdringen.’ Mijn broeders, de Metgezellen, gingen in groepen van tien zitten. Nabiyy-i muhtaram deed een smeekbede om zegen voor het brood en het vlees. Daarna schepte hij, zonder de pot uit de oven te halen, met een pollepel wat erin zat, legde het op de broden die hij in de hand nam en bood het zijn Metgezellen aan. Zo ging hij door tot alle Metgezellen verzadigd waren. Ik zweer dat het brood en het vlees precies bleven zoals zij waren, hoewel er meer dan duizend mensen van aten. Nadat ook wij gegeten hadden, deelden wij de rest uit aan onze buren.”3
Salmân Fârisî was zeer bedreven in het graven van de gracht. In zijn eentje deed hij het werk van tien man. Terwijl hij met zijn kameraden het stuk groef dat hun was toegewezen, stuitten zij op een zeer harde en grote witte rots. Zij deden veel moeite om hem te breken, maar al hun inspanning was tevergeefs. Bovendien braken ook hun voorhamers, houwelen en schoppen. Salmân ging naar onze geliefde Profeet en legde hem de toestand voor: “Mogen mijn vader en moeder, en mijn leven, voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Bij het graven van de gracht zijn wij op een harde rots gestuit. Hoewel al ons ijzeren gereedschap is gebroken, hebben wij hem niet eens van zijn plaats kunnen krijgen.” Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) kwam daarheen en vroeg om een voorhamer. De Metgezellen die daar waren, wachtten vol spanning de afloop af. De Sultan der profeten daalde in de gracht af. Hij hief met de woorden “Bismillâhir-rahmânir-rahîm” de voorhamer op en sloeg zo hard op de rots dat er van die slag een bliksem flitste die Medina verlichtte, en er brak een stuk van de rots af.
Rasûl-i akram sprak de takbîr uit: “Allâhu akbar!” Toen de Metgezellen dat hoorden, spraken ook zij de takbîr uit. Daarna sloeg hij een tweede keer met de voorhamer op de rots. Weer een bliksem die alles in de omtrek verlichtte!…
“Ook ik wil door te werken deel hebben aan de beloning die jullie verdienen” Hadîth sharîf
En stukken die van de rots afbraken… Onze geliefde Profeet sprak opnieuw de takbîr uit: “Allâhu akbar!” De Metgezellen volgden hem en spraken eveneens de takbîr uit. Toen de voorhamer voor de derde keer neerkwam, flitste er nog een bliksem die alles in de omtrek verlichtte, en viel de rots in stukken uiteen. De Meester der werelden sprak opnieuw de takbîr uit: “Allâhu akbar!” Zijn eervolle Metgezellen volgden hem en spraken weer de takbîr uit.
Salmân stak zijn hand uit. Onze geliefde Profeet klom uit de gracht. Toen Salmân Fârisî zei: “Mogen mijn vader en moeder, en mijn leven, voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Zojuist heb ik iets gezien wat ik in mijn hele leven nog nooit heb gezien. Wat is de wijsheid hiervan?”, wendde onze Meester de Profeet zich tot zijn Metgezellen en vroeg: “Hebben jullie ook gezien wat Salmân heeft gezien?” Zij antwoordden: “Ja, yâ Rasûlallah! Toen u met de voorhamer op de rots sloeg, zagen wij een felle bliksem flitsen. Toen u de takbîr uitsprak, spraken ook wij de takbîr uit.” Onze Meester de Profeet zei: “In het licht van de eerste slag werden mij de paleizen van de Chosroes (in Madâ’in) getoond. Jibrîl (’alayhis-salâm) kwam en liet mij weten: ‘Jouw umma zal die landen bezitten.’ Bij de tweede slag werden de rode paleizen van de Byzantijnse provincie (van Syrië) getoond. Jibrîl (’alayhis-salâm) kwam en zei: ‘Jouw umma zal ook dat land bezitten.’ Bij de derde werden de paleizen van San’â (in Jemen) getoond. Jibrîl (’alayhis-salâm) liet mij weten: ‘Ook die plaats zal jouw umma in bezit nemen.’”
Toen de Sultan van het universum daarna het paleis van de Perzische Chosroes in Madâ’in beschreef, zei Salmân, die daar vandaan kwam: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, Die u met de ware religie en het Boek heeft gezonden, dat die paleizen precies zo zijn als u ze hebt beschreven. Ik getuig dat u de Rasûl van Allâhu ta’âlâ bent.” Onze Meester de Profeet zei: “O Salmân! Syrië zal zeker veroverd worden. Heraclius zal naar de verste uithoek van zijn land vluchten. Jullie zullen over heel Syrië heersen. Niemand zal jullie kunnen weerstaan. Jemen zal zeker veroverd worden. Ook dit ‘Land van het Oosten’ zal zeker veroverd worden, en de Chosroes zal gedood worden. Allâhu ta’âlâ zal jullie deze veroveringen na mij schenken.”4
Salmân Fârisî vertelde: “Ik heb gezien dat al deze blijde tijdingen van onze Meester Rasûlullah zijn uitgekomen.”
De vijand stond nu op het punt te komen. Er werd in uiterste haast aan de gracht gegraven, en men probeerde hem zo snel mogelijk af te maken. De mujâhids legden het werk alleen in geval van nood neer, met toestemming van onze Meester de Profeet, en zodra zij hun behoefte hadden gedaan, haastten zij zich weer aan het werk.
De huichelaars daarentegen gedroegen zich zeer laks: zij kwamen aan het werk wanneer zij wilden en gingen weg wanneer zij wilden, zonder toestemming te vragen. Bovendien dreven zij de spot met de manier waarop de Metgezellen werkten en zelfs met de blijde tijdingen die onze Meester de Profeet had gegeven: “Wij schuilen uit angst voor de vijand in greppels, en hij belooft ons de paleizen van Jemen, van de Byzantijnen en van Perzië. Wij verbazen ons over die toestand van jullie!…”
Daarop werd er in het edele vers dat over de mujâhids werd geopenbaard, in betekenis gezegd: “De ware gelovigen zijn alleen zij die in Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl geloven en die, wanneer zij met hem (met Rasûlullah) bijeen zijn voor een gemeenschappelijke zaak (die iedereen aangaat), niet weggaan voordat zij hem om toestemming hebben gevraagd. Daarom (o Mijn Habîb!) zijn zij die jou om toestemming vragen, degenen die werkelijk in Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl geloven. Wanneer deze gelovigen jou voor een van hun zaken om toestemming vragen, geef dan toestemming aan wie je wilt van hen en vraag Allâhu ta’âlâ om vergeving voor hen. Voorzeker, Allâhu ta’âlâ is Ghafûr ar-Rahîm: Hij vergeeft veel en is zeer barmhartig.”5
In de edele verzen die over de huichelaars werden geopenbaard, werd in betekenis gezegd: “Stel de oproep van de Rasûl van Allâhu ta’âlâ niet gelijk aan de manier waarop jullie elkaar onder elkaar roepen! Allâhu ta’âlâ kent voorzeker degenen onder jullie die zich achter elkaar verschuilen en heimelijk (wegsluipend) vluchten. Laten zij die zich tegen Zijn bevel verzetten, ervoor oppassen dat hun in deze wereld een beproeving en in het hiernamaals een pijnlijke bestraffing treft! Let op! Alles wat in de hemelen en op de aarde is, behoort aan Allâhu ta’âlâ. Hij weet ook in welke toestand jullie verkeren (al jullie eigenschappen en bedoelingen, of jullie gelovigen of huichelaars zijn). Op de Dag des Oordeels, wanneer jullie naar Hem worden teruggebracht, zal Allâhu ta’âlâ jullie berichten over alles wat jullie hebben gedaan. Allâhu ta’âlâ weet alle dingen.”6
Er waren zes dagen verstreken sinds men met het graven van de gracht was begonnen. Iedereen had zijn werk naar behoren voltooid. Alleen één plek had men uit tijdgebrek niet breed en diep genoeg kunnen graven. Onze Meester de Profeet uitte zijn bezorgdheid over die plek en zei: “De afgodendienaren kunnen nergens anders over dan hier.” Hij plaatste daar wachtposten.
Allâhu ta’âlâ is de beste Beschermer
Toen het leger van de afgodendienaren Medina dicht genaderd was, liet Huyayy, het hoofd van de joodse zonen van Nadîr, de bevelhebber van het leger van de Quraysh weten dat de joden van Qurayza in Medina een verdrag met de moslims hadden, maar dat hij hun leider Ka’b ibn Asad kon misleiden en op zijn hand kon brengen. De bevelhebber zei: “O Huyayy! Ga onmiddellijk naar Ka’b ibn Asad. Laten zij het verdrag dat zij met de moslims hebben gesloten, verbreken en ons helpen.” Een van de bepalingen van dit verdrag luidde: “Als een vijandelijk leger Medina aanvalt, zich met de moslims verenigen en de vijand weerstaan.”
De jood Huyayy maakte zich van het leger van de afgodendienaren los en kwam ’s nachts bij het huis van Ka’b, het hoofd van de Banû Qurayza. Hij klopte op de deur, maakte zich bekend en zei: “O Ka’b! Ik heb het hele leger van de Quraysh en vele stammen, zoals de zonen van Kinâna en de Ghatafân, als een leger van tienduizend man hierheen gebracht. Nu zullen Muhammad en zijn Metgezellen niet ontkomen. Wij hebben met de Quraysh gezworen hier niet weg te gaan voordat wij hen volledig hebben vernietigd!…” Ka’b uitte zijn bezorgdheid: “Als Muhammad en zijn Metgezellen niet gedood kunnen worden en de Quraysh en de Ghatafân naar hun land teruggaan, blijven wij hier alleen achter. Ik vrees dat zij ons uiteindelijk allemaal zullen doden!…” Huyayy zei: “Om die vrees weg te nemen, vraag je van de Quraysh en de Ghatafân zeventig man als gijzelaars. Zolang deze gijzelaars bij jou zijn, kunnen zij hier niet weg. Als zij verslagen worden en vertrekken, zal ik niet van jullie zijde wijken. De ramp die jullie treft, zal ook mij treffen.” Zo misleidde hij Ka’b en daarna ook de andere joden. Hij liet hen het verdrag met de moslims verscheuren. Zo werd het verdrag verbroken.
Huyayy keerde naar het leger van de afgodendienaren terug en vertelde hoe het ervoor stond. Hij liet weten dat de Banû Qurayza de moslims in de rug zouden aanvallen.
“O mensen van de Gracht! Jâbir heeft een maaltijd voor ons klaargemaakt en nodigt ons uit om te eten. Zijn eten is overvloedig en goed. Sta op! Wij gaan naar de maaltijd van Jâbir!” Hadîth sharîf
Op de zevende dag kwamen de afgodendienaren met een groot leger van tienduizend man aan de noord- en noordwestkant van Medina aan en sloegen daar hun kamp op. Dit kamp lag aan de overkant van de plaats waar de gracht was gegraven. Wat de afgodendienaren van plan waren, was met dit grote leger Medina van het ene einde tot het andere plat te branden en te verwoesten, onze Meester de Profeet en zijn Metgezellen uit de weg te ruimen en de islam te vernietigen. Het was ogenschijnlijk een zeer groot leger, dat moeilijk te weerstaan was. Toen de afgodendienaren de hindernis van de gracht zagen, waaraan zij in hun verbeelding nooit hadden gedacht, stonden zij verbijsterd en zonk hun de moed in de schoenen, want de gracht was zo breed dat zelfs een goed paard er in volle galop niet overheen kon springen. Wie erin viel, kwam er ook niet gemakkelijk uit, en voor iemand in een harnas was het zeer moeilijk om eruit te klimmen. Toen onze geliefde Profeet hoorde dat de afgodendienaren waren gekomen, riep hij onmiddellijk zijn Metgezellen bijeen, die na zes dagen onafgebroken werken uitgeput waren, en sloeg aan deze kant van de gracht, aan de voet van de berg Sal’, zijn kamp op. Achter hen lagen de berg Sal’ en Medina, voor hen de gracht en daarachter de vijand… Opnieuw werd Ibn Umm Maktûm als plaatsvervanger van onze Meester de Profeet in Medina achtergelaten. De vrouwen en kinderen werden in de burchten ondergebracht. Het leger van de islam, drieduizend man sterk, telde zesendertig ruiters. De banieren werden gedragen door Zayd ibn Hâritha en Sa’d ibn ‘Ubâda.7 De leren tent van onze Meester Rasûlullah werd aan de voet van de berg Sal’ opgezet. De Metgezellen, die nog zoveel heldendaden zouden verrichten, begonnen de bewegingen van de vijand aandachtig te volgen. Op dat ogenblik zag men ’Umar bij onze geliefde Profeet komen. Hij zei: “Yâ Rasûlallah! Ik heb gehoord dat de joden van Qurayza het verdrag tussen ons hebben verbroken en zich voorbereiden op oorlog tegen ons!” Op dit onverwachte bericht antwoordde de Meester der werelden: “Hasbunallâhu wa ni’mal wakîl (Allâhu ta’âlâ is ons genoeg. Hij is de beste Beschermer).” Hij was hierdoor zeer aangedaan. Het leger van de islam zat nu tussen twee vuren: in het noorden en westen de legers van de afgodendienaren, in het zuidoosten de joden. Onze Meester Rasûlullah stuurde Zubayr ibn ’Awwâm naar de burcht van de zonen van Qurayza. Zubayr ging erheen en ging na hoe het ervoor stond. Bij zijn terugkeer vertelde hij wat hij had gezien: “Yâ Rasûlallah! Ik heb gezien dat zij hun burchten herstelden en krijgsoefeningen en manoeuvres hielden. Bovendien waren zij hun dieren bijeen aan het drijven.” Daarop stuurde Habîb-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) Sa’d ibn Mu’âdh, Sa’d ibn ’Ubâda, Khawwât ibn Jubayr, ’Amr ibn ’Awf en ’Abdullah ibn Rawâha naar de zonen van Qurayza om hen te vermanen en het verdrag te laten vernieuwen.8 Deze vijf Metgezellen, aan wie de taak was opgedragen, gingen naar de burcht van de joden van Qurayza en vermaanden hen. Maar de vermaning haalde niets uit. Bovendien begonnen zij hen te beledigen. Als laatste woord zeiden zij: “Door onze broeders, de zonen van Nadîr, uit hun land te verdrijven, hebben jullie ons gekortwiekt. Wie is Muhammad eigenlijk wel! Tussen hem en ons bestaat geen enkele afspraak en geen enkel verdrag. Wij hebben gezworen allen tegelijk op jullie Profeet af te stormen en hem te doden. Wij zullen onze broeders zeker steunen en helpen!…” Sa’d ibn Mu’âdh en zijn gezellen kwamen bij onze Meester Rasûlullah en vertelden hem in bedekte termen hoe het ervoor stond, zodat niet iedereen het zou begrijpen. Onze Meester de Profeet zei: “Houd jullie bericht geheim. Maak het alleen bekend aan wie het al weet. Want oorlog bestaat uit beleid en list.”9
De Metgezellen wachtten aan deze kant van de gracht op onze Meester de Profeet en vroegen zich af hoe zij moesten handelen. Even later kwam de Sultan van het universum bij zijn heldhaftige Metgezellen en sprak de takbîr uit: “Allâhu akbar! Allâhu akbar!” Toen de roemrijke Metgezellen dat hoorden, spraken zij als uit één mond de takbîr uit; zo verkondigden zij de verhevenheid van de gezegende naam van Janâb-i Haqq en joegen zij angst in het hart van de ongelovigen, die aan de overkant van de gracht krioelden als zandkorrels. Toen de afgodendienaren de takbîrs hoorden, zeiden zij: “Muhammad en zijn Metgezellen hebben vast een verheugend bericht gekregen.”
Onze Meester de Profeet gaf zijn Metgezellen de blijde tijding dat zij zouden zegevieren, met de woorden: “O gemeenschap van moslims! Verheug je over de overwinning en de hulp van Allâhu ta’âlâ!” De roemrijke Metgezellen hadden tot dan toe aan vele expedities (sariyya’s) en aan de veldslagen bij Badr en Uhud deelgenomen. Met de toestemming van Allâhu ta’âlâ en door de zegen van de smeekbede van Rasûl-i akram hadden zij de afgodendienaren, die in aantal en kracht de overhand hadden, telkens verslagen. Met de “Kroon” van alle schepselen aan hun hoofd kon er geen werk zijn dat zij niet konden verrichten en geen ontbering die zij niet konden verdragen. Het was koud, de hongersnood was zwaar, de honger groot… Velen, onder wie onze Meester de Profeet, hadden een steen op hun gezegende buik gebonden. Aan de overkant krioelde de vijand als zandkorrels! Maar voor de roemrijke Metgezellen hadden de overmacht van de vijand en de ontberingen die zij doorstonden, geen betekenis. Allâhu ta’âlâ was de beste Beschermer… Aan Hem waren zij verbonden, op Hem steunden zij, bij Hem zochten zij hun toevlucht. Voordat zij tot een algemene aanval besloten, begonnen de voornaamste bevelhebbers van de Quraysh en de leiders van de andere stammen die met de Quraysh waren meegekomen, langs de gracht een plaats te zoeken waar zij erover konden. Zij liepen de gracht van het ene einde tot het andere af. Ten slotte bleven zij staan bij de smalle plek die door de haast onafgemaakt was gebleven, en besloten dat het raadzaam was daar aan te vallen. De soldaten van de afgodendienaren volgden hun bevelhebbers; zij keken nu eens naar de gracht, dan weer naar de roemrijke Metgezellen, en stonden versteld. Zij zeiden: “Wij zweren dat dit geen methode is waarvan de Arabieren zich bedienen. Die Perzische man heeft dit zeker aangeraden!” Toen de bevelhebbers van de Quraysh hun soldaten de smalle plek van de gracht toonden en vroegen: “Wie kan hier overspringen en naar de overkant gaan?”, kwamen er vijf ruiters uit hun midden naar voren. Zij wilden naar de andere kant van de gracht gaan om daar man tegen man te vechten. De roemrijke Metgezellen en de soldaten van de afgodendienaren begonnen vol spanning te volgen wat deze vijf ruiters zouden doen. De ruiters weken achteruit om vaart te maken. Daarna wendden zij de koppen van hun paarden naar de smalste plek van de gracht en joegen hen aan. De vijf rasechte paarden, die in volle galop renden, slaagden erin met één sprong de overkant van de gracht te bereiken. Vele ruiters wilden hen volgen, maar slaagden daar niet in en bleven aan de andere kant van de gracht. Onder hen die erover waren gekomen, was een zeer sterke worstelaar, ’Amr ibn ’Abdûd genaamd, die nooit met zijn rug op de grond was gelegd; iedereen was bang voor hem en niemand durfde het tegen hem op te nemen. In zijn eentje was hij een heel leger waard. Dat juist hij uit een leger van tienduizend man naar voren kwam, liet dat ook zien. Hij was van top tot teen in een harnas gehuld. Op zijn paard had hij een zeer ontzagwekkende houding. Deze man, wiens verschijning alleen al angst in de harten joeg, riep de mujâhids toe: “Als er iemand is die met mij kan vechten, laat hij dan naar voren komen!…” Toen ’Alî dit monument van hoogmoed zag, ging hij naar onze geliefde Profeet en vroeg toestemming: “Moge mijn leven voor u geofferd worden, yâ Rasûlallah! Laat mij met hem vechten.” ’Alî droeg niet eens een harnas.
“O Salmân! Syrië zal zeker veroverd worden. Heraclius zal naar de verste uithoek van zijn land vluchten. Jullie zullen over heel Syrië heersen. Niemand zal jullie kunnen weerstaan. Jemen zal zeker veroverd worden. Ook dit ‘Land van het Oosten’ zal zeker veroverd worden, en de Chosroes zal gedood worden. Allâhu ta’âlâ zal jullie deze veroveringen na mij schenken” Hadîth sharîf
De Metgezellen keken met heilige afgunst naar hem. Onze geliefde Profeet trok zijn eigen gezegende harnas uit en deed het ’Alî aan. Hij gordde hem zijn zwaard om. Hij nam de tulband van zijn gezegende hoofd en wond die met zijn eigen gezegende handen om het hoofd van ’Alî. Daarna deed hij smekend deze smeekbede: “O Allah! In de Slag bij Badr is ’Ubayda, de zoon van mijn oom, en in de Slag bij Uhud mijn oom Hamza als martelaar gesneuveld. Bij mij is ’Alî overgebleven, mijn broeder en de zoon van mijn oom. Bescherm hem. Schenk hem Uw hulp. Laat mij niet alleen!” De Metgezellen zeiden: “Âmîn!” Te midden van de smeekbeden en de takbîrs trok de leeuw van Allâhu ta’âlâ te voet naar voren en ging pal voor ’Amr ibn ’Abdûd staan, die als een reusachtige schim op zijn paard zat. ’Amr, die behalve zijn ogen overal met harnas bedekt was, herkende deze held niet en vroeg wie hij was. Toen hij zich bekendmaakte met de woorden: “Ik ben ’Alî ibn Abî Tâlib”, zei ’Amr, alsof hij medelijden met hem had: “O zoon van mijn broeder! Je vader is mijn vriend. Daarom wil ik jouw bloed niet vergieten. Is er onder je ooms niemand die het tegen mij kan opnemen?” Maar ’Alî daagde hem uit: “O ’Amr! Bij Allah, ik wil jouw bloed wel vergieten. Maar moeten wij niet allebei in dezelfde positie zijn? Past dat niet bij de eer van de dapperheid? Ik ben echter te voet, en jij bent te paard!…”
Toen ’Amr dit hoorde, ontvlamde zijn heldentrots: hij steeg onmiddellijk van zijn paard, hakte met zijn zwaard de benen van het dier af en ging woedend tegenover ’Alî staan. Toen hij op het punt stond aan te vallen, vroeg de leeuw van Allâhu ta’âlâ: “O ’Amr! Ik heb gehoord dat jij gezworen hebt, wanneer je iemand van de Quraysh tegenkomt, een van zijn twee wensen te vervullen. Is dat waar?” Toen hij antwoordde: “Ja, dat is waar”, nodigde ’Alî hem uit tot het geloof: “Dan is mijn eerste wens dat jij in Allâhu ta’âlâ en Zijn Rasûl gelooft en moslim wordt!” Toen ’Amr dit hoorde, werd hij kwaad en zei: “Laat dat! Daar heb ik niets aan!” ’Alî zei: “Mijn tweede wens is dat jij de strijd opgeeft en naar Mekka teruggaat. Want als de Rasûl ’alayhis-salâm de vijand overwint, heb jij hem met die daad geholpen!…” Toen ’Amr zei: “Laat ook dat! Ik heb gezworen geen geurige olie op te doen voordat ik wraak heb genomen. Als je een andere wens hebt, zeg die dan!”, antwoordde ’Alî: “O vijand van Allâhu ta’âlâ! Nu blijft er niets anders over dan met jou te vechten!”
’Amr lachte om deze woorden en zei: “Wat vreemd! Het is nooit bij mij opgekomen dat er in het land van de Arabieren een held zou zijn die het tegen mij durfde op te nemen! O zoon van mijn broeder! Ik zweer dat ik jou niet wil doden, want je vader was mijn vriend. Ik had graag iemand uit de edelen van de Quraysh tegenover mij gehad, iemand als Abû Bakr of als ’Umar.” Toen ’Alî zei: “Hoe dat ook zij, ik ben hier naar voren gekomen om jou te doden”, steeg het bloed ’Amr naar het hoofd. Zijn zwaard opheffen en het laten neerkomen was één beweging. De leeuw van Allâhu ta’âlâ, ’Alî (karramallâhu wajhah), die zoiets had verwacht, sprong als een bliksem opzij en ving de slag met zijn schild op. Maar ’Amr had al vele schilden zoals dit aan stukken geslagen. Zelfs de sterkste schilden waren niet bestand tegen zijn slag. En zo ging het ook nu. Het schild van ’Alî brak in stukken, en bovendien schampte het zwaard zijn hoofd en verwondde hem. Nu was het de beurt van ’Alî om aan te vallen.
Hij zocht zijn toevlucht bij Allâhu ta’âlâ en liet met de woorden “Yâ Allah!..” Dhu’l-Fiqâr op de hals van ’Amr neerkomen. Op hetzelfde ogenblik deden de kreten “Allâhu akbar!.. Allâhu akbar!..” in het leger van de islam aarde en hemel weergalmen, en in het leger van de ongelovigen stegen weeklachten op… Ja, de smeekbede van de Sultan der profeten, de kroon van alle schepselen, was verhoord. De reus ’Amr lag ter aarde; het bloed gutste als uit een goot uit zijn lichaam, en zijn hoofd was met helm en al weggevlogen. Toen zijn kameraden zagen dat ’Amr, op wie zij het meest vertrouwden, geveld was, vielen zij ’Alî onmiddellijk aan. Toen de Metgezellen dat zagen, snelden zij daarheen. Zubayr ibn ’Awwâm verwondde Nawfal ibn ’Abdullah en deed hem met paard en al in de gracht storten.
’Alî daalde in de gracht af en kliefde Nawfal in tweeën. De anderen kwamen met moeite weer over de gracht en vluchtten terug. De opperbevelhebber van het leger van de afgodendienaren was al aan het begin van de strijd in grote wanhoop vervallen.
Nu lag de vorm van de strijd vast. De gracht verhinderde een gevecht van man tegen man. Met pijlschoten probeerden zij elkaar verliezen toe te brengen. Dat diende tot niets anders dan de beslissing uit te stellen. De afgodendienaren begrepen dat zij op deze manier niet konden winnen; zij besloten dat een aanval van alle kanten van de gracht de beste weg was, en gingen tot de aanval over. Het reusachtige vijandelijke leger van tienduizend man probeerde over de gracht te komen, en het roemrijke leger van de islam van drieduizend man spande zich in om hen met pijlen en stenen niet over de gracht te laten. Er was een verschrikkelijke strijd begonnen. Deze strijd duurde tot de avond.
’s Nachts plaatste Rasûl-i akram (sallallâhu ’alayhi wa sallam) wachtposten op verschillende plaatsen langs de gracht. Zelf begon hij de wacht te houden op de smalle plek. Hij zond een patrouille van vijfhonderd man naar Medina en beval hun in de straten luid de takbîr uit te spreken. Zo zou elk gevaar dat van de joden of van de afgodendienaren van de Quraysh kon komen, tijdig worden afgewend en zouden de vrouwen en kinderen beschermd zijn.
De joden van Qurayza stuurden op hun beurt Huyayy ibn Akhtab naar de afgodendienaren en vroegen om een strijdmacht van tweeduizend man om nachtelijke overvallen uit te voeren. Zij wilden ’s nachts de vrouwen en kinderen aanvallen, die onbeschermd waren achtergebleven. Maar dat de mujâhids tot de ochtend patrouilleerden en de takbîr uitspraken met de kreten “Allâhu akbar!”, joeg hun grote angst aan. Zij trokken zich in hun burchten terug en begonnen op een gelegenheid te wachten. Van tijd tot tijd probeerden zij in kleine groepen Medina binnen te dringen.
Op een nacht slaagde Ghazzâl, een van de voornaamsten van de zonen van Qurayza, erin met een eenheid van tien man tot aan het versterkte huis te komen waar onze moeder Safiyya, de tante van onze Meester de Profeet, zich bevond. Binnen waren vrouwen en kinderen. Zij hadden niet één wapen om zich te verdedigen. De joden begonnen eerst pijlen op het huis af te schieten en probeerden daarna binnen te komen. Een van hen slaagde erin de binnenplaats te bereiken en begon de omgeving te verkennen om te zien hoe hij binnen kon komen. Op dat ogenblik drukte de heldhaftige tante van onze geliefde Profeet de mensen bij haar op het hart geen enkel geluid te maken, ging naar beneden en kwam bij de deur. Zij wond een doek stevig om haar hoofd en nam zo de gedaante van een man aan; toen nam zij een stok in de hand en stak een mes in haar gordel. Zachtjes opende zij de deur, sloop van achteren naar die jood toe en liet de stok met kracht op zijn hoofd neerkomen. Zonder een ogenblik te verliezen doodde zij de jood, die op de grond was gevallen. Daarna wierp zij het hoofd van de gedode jood naar de joden die buiten met pijlen schieten bezig waren. Toen de joden het afgehakte hoofd van hun kameraad aan hun voeten zagen, werden zij door grote angst bevangen en begonnen te vluchten.
Ondertussen mopperden zij: “Ons was verteld dat de moslims alle mannen naar de oorlog hadden gestuurd en geen enkele man thuis hadden gelaten!…”10 ’s Morgens ging de strijd met dezelfde hevigheid verder. De pijlen vlogen zoevend door de lucht. De Meester der werelden (sallallâhu ’alayhi wa sallam) zei tegen zijn roemrijke Metgezellen: “Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, in Wiens machtige hand mijn bestaan is, dat de ontberingen die wij doorstaan, zeker van jullie zullen worden weggenomen en dat jullie naar verlichting zullen worden gevoerd.” Zo raadde hij hun aan geduld te hebben en gaf hij hun de blijde tijding dat de overwinning aan de gelovigen zou toekomen. Toen de heldhaftige Metgezellen deze blijde tijding ontvingen, vergaten zij ontberingen als honger en hongersnood.
“O gemeenschap van moslims! Verheug je over de overwinning en de hulp van Allâhu ta’âlâ!” Hadîth sharîf
Zij zetten zich met hart en ziel in en lieten geen enkele afgodendienaar over de gracht komen.
Sa’d ibn Mu’âdh, een van de voornaamste Metgezellen, streed met grote heldenmoed. Tijdens de strijd werd hij aan zijn arm gewond door een pijl die was afgeschoten door een afgodendienaar die Hibbân ibn Qays ibn ’Araqa heette. De pijl trof een slagader en deed hem veel bloed verliezen. Toen de gewonde Sa’d zag dat de mensen om hem heen hun best deden het bloed te stelpen, begreep hij dat zijn toestand ernstig was en deed hij deze smeekbede: “O mijn Heer! Als de Quraysh de oorlog voortzetten, schenk mij dan leven. Want niets bevalt mij zo goed als te strijden tegen deze afgodendienaren, die Uw Rasûl hebben gekweld en hem voor een leugenaar hebben uitgemaakt. Als de oorlog tussen ons ten einde loopt, verhef mij dan tot de rang van martelaar. Maar neem mijn ziel niet weg voordat ik het einde van de Banû Qurayza heb gezien.” Zijn smeekbede werd verhoord en het bloeden hield op. De huichelaars daarentegen, zoals ’Abdullah ibn Ubayy, die onder de Metgezellen leken te strijden, deden alles heel traag en kwamen niet in de buurt van de voorste linies. Bovendien deden zij alles wat zij konden om het moreel van de mujâhids te breken, en probeerden zij tweedracht te zaaien met woorden als: “Muhammad belooft jullie steeds maar weer de schatten van de keizer en van de Chosroes. Maar nu zitten wij in deze gracht opgesloten. Uit angst kunnen wij niet eens weg om onze behoefte te doen. Allah en Zijn Rasûl doen niets anders dan ons bedriegen; aan wereldse dingen beloven zij ons niets!…” Wanneer zij in het nauw kwamen, gebruikten zij als voorwendsel dat de vijand hun huizen kon aanvallen, en verlieten zij hun posten. Ook dit gedrag van de huichelaars was een plaag en een ontbering op zich. Het leger van de afgodendienaren zette al zijn kracht in om zo snel mogelijk tot een beslissing te komen, maar tegen de heldhaftige verdediging van de eervolle Metgezellen kon het niets uitrichten. De plaats die zij het meest aanvielen, was de smalle doorgang. Onze geliefde Profeet week daar niet vandaan en spoorde zijn Metgezellen aan tot de strijd. De Metgezellen, die de eer wilden verwerven om aan de zijde van onze Meester de Profeet te strijden, toonden op het slagveld ongekende heldendaden. Op een gegeven moment zag men dat de afgodendienaren een hevige regen van pijlen begonnen af te schieten. Hun enige doelwit was de tent waarin de Sultan van het universum zich bevond.
Een harnas bedekte het gezegende lichaam van onze geliefde Profeet, en op zijn gezegende hoofd droeg hij een helm. Hij stond kaarsrecht voor de tent en gaf zijn Metgezellen bevelen naar gelang van het verloop van de strijd. Soms wierpen de afgodendienaren zich plotseling op de plek die het zwakst leek; dan snelden de gezegende Metgezellen daarheen en streden met vurige liefde tot zij de vijanden van de religie hadden teruggeslagen.
“Eén zwaardslag van ’Alî is waardevoller dan de aanbidding van alle mensen en jinn” Hadîth sharîf
De Slag bij de Gracht
Deze ongekende strijd was uiterst hevig: de heldhaftige Metgezellen hadden niet eens tijd om opzij te kijken. Die dag duurde de strijd, die in de morgen was begonnen, tot laat in de avond. Telkens wanneer de tijd van een gebed aanbrak, zeiden de roemrijke Metgezellen: “Yâ Rasûlallah! Wij hebben ons gebed niet kunnen verrichten”, en de Meester der werelden, de Sultan van het universum, antwoordde met groot verdriet: “Bij Allah, ook ik heb het niet kunnen verrichten.” Tegen de tijd van het nachtgebed sloegen zij met een uiterst hevige aanval de bende afgodendienaren, die hen hun aanbidding niet lieten verrichten, terug en verstrooiden haar. De Quraysh en de Ghatafân, die zich van deze verstrooiing niet konden herstellen, trokken zich in hun kamp terug om de nacht door te brengen. De mujâhids liepen naar de tent van onze geliefde Profeet. Toen kon de Trots der wereld (sallallâhu ’alayhi wa sallam), die als barmhartigheid voor de werelden was gezonden, zich vanwege het gebed niet inhouden, hoewel het niet zijn edele gewoonte was een verwensing uit te spreken, en sprak hij een verwensing uit tegen de afgodendienaren: “Zoals zij ons tot zonsondergang bezig hebben gehouden en ons van ons gebed hebben afgehouden, zo moge Allâhu ta’âlâ ook hun huizen, hun buiken en hun graven met vuur vullen!” Nadat hij het middaggebed, het namiddaggebed en het avondgebed, die ingehaald moesten worden (qadâ), had verricht, leidde hij als imam het nachtgebed.
O mijn Heer, sla de ongelovigen op de vlucht
Na deze gevechten, die zij voerden om de islam volledig uit te roeien, begrepen de afgodendienaren dat de moslims overdag niet verslagen konden worden. Volgens hen was de enige uitweg met dezelfde hevigheid nachtelijke overvallen te organiseren. Alleen zo konden de moslims verslagen worden. Zij brachten dit besluit onmiddellijk in praktijk en begonnen samen met de joodse zonen van Qurayza nachtelijke overvallen uit te voeren. De afgodendienaren verdeelden hun soldaten in groepen en vielen beurtelings aan. Deze toestand duurde dagenlang. Met onze geliefde Profeet voorop zetten de heldhaftige Metgezellen de verdediging voort, hoewel zij hongerig, slapeloos en uitgeput waren. Zij lieten geen enkele vijandelijke soldaat de gracht naar deze kant oversteken. Deze met hart en ziel gevoerde verdediging was angstaanjagender, heviger, zwaarder en moeizamer dan alle eerdere veldtochten.
Bij de afgodendienaren, die al dagenlang streden, begon het voedsel op te raken. Ook hun paarden en kamelen begonnen te sterven, omdat zij op de grond geen handvol droog gras konden vinden. Daarom stuurde de bevelhebber van de afgodendienaren een eenheid onder bevel van Dirâr ibn Khattâb naar de joden van Qurayza om proviand te halen. De joden, die alles voor de ongelovigen over hadden, laadden onmiddellijk twintig kameelvrachten tarwe, gerst, dadels en stro voor de dieren op en droegen die over. Toen Dirâr met zijn soldaten vol vreugde terugkeerde, stuitten zij in de buurt van Qubâ op een groep Metgezellen. De heldhaftige Metgezellen vielen onmiddellijk aan. Na een bloedig gevecht sloegen zij de afgodendienaren op de vlucht, droegen de beladen kamelen over aan onze Meester de Profeet en ontvingen van hem vele smeekbeden.11 De Sultan van het universum (sallallâhu ’alayhi wa sallam) had in deze hevige strijd, die bijna een maand duurde, medelijden met zijn heldhaftige Metgezellen, die in zeer zware omstandigheden verkeerden, en toonde hun vele malen meer tederheid dan hun eigen vaders. Tegenover deze bovenmenselijke inspanningen van zijn roemrijke Metgezellen legde hij zelf zijn gezegende voorhoofd op de grond en smeekte Allâhu ta’âlâ als volgt voor hen:
“O Helper van hen die in nood verkeren! O Allah, Die de smeekbede verhoort van de behoeftigen en de hulpelozen! U ziet en kent voorzeker mijn toestand en die van mijn Metgezellen. O mijn Heer! Sla de ongelovigen op de vlucht, zaai verdeeldheid onder hen, geef ons de overwinning op hen en schenk ons de zege!..”
In de laatste dagen herhaalde onze geliefde Profeet deze smeekbede dikwijls. De afgodendienaren zetten, ook vanwege de kwellingen die de hongersnood hun bezorgde, al hun krachten in om de moslims zo snel mogelijk uit de weg te ruimen. Op een avond dat zij zo streden, kwam er uit het leger van de afgodendienaren iemand in wiens hart de liefde voor de islam was gevallen, naar onze Meester de Profeet. Het was Nu’aym ibn Mas’ûd van de stam Ghatafân. Hij zei tegen onze geliefde Profeet: “Yâ Rasûlallah! Ik ben gekomen om te bevestigen dat Allâhu ta’âlâ Eén is en dat u een waarachtig profeet bent. Alle lof zij Allah, ik ben geëerd met de islam. Tot nu toe heb ik tegen u gestreden. Voortaan zal ik tegen de ongelovigen strijden. Ik ben bereid te doen wat u mij ook beveelt! Yâ Rasûlallah! Zelfs mijn volk weet niet dat ik moslim ben geworden.” Rasûl-i akram zei: “Kun jij je onder deze ongelovigen begeven, verdeeldheid zaaien en proberen hen van elkaar te scheiden?” Hij antwoordde: “Yâ Rasûlallah! Met de hulp van Allâhu ta’âlâ kan ik hen van elkaar scheiden. Maar heb ik toestemming om te zeggen wat ik wil?” Onze Meester zei: “Oorlog is list; je mag zeggen wat je wilt.”
Nu’aym ibn Mas’ûd ging eerst naar de joden van Qurayza en zei: “Jullie kennen de liefde die ik voor jullie koester. Maar wat wij nu bespreken, moet onder ons blijven; niemand mag het weten!” De joden zwoeren: “Niemand zal het weten.” Daarop zei Nu’aym: “De zaak van deze man (onze Meester de Profeet) is zonder twijfel een ramp. Jullie weten wat hij met de zonen van Nadîr en van Qaynuqâ’ heeft gedaan. Jullie hebben allemaal gezien hoe hij hen van huis en haard heeft verdreven. Nu zijn de Quraysh en de Ghatafân gekomen en strijden zij tegen de moslims, en jullie helpen hen. Hoewel wij al dagenlang strijden, zijn wij nog tot geen enkel resultaat gekomen. Als het zo doorgaat, ziet het ernaar uit dat het beleg lang zal duren. De bezittingen, de eigendommen, het land en de kinderen van de Quraysh en de Ghatafân zijn niet hier, zoals die van jullie. Als zij in deze oorlog een kans krijgen en winnen, verzamelen zij de buit en gaan weg. Als zij verslagen worden, trekken zij weg en laten jullie alleen tegenover de moslims achter. En jullie hebben geen kracht en geen macht om het tegen de moslims op te nemen. De huidige stand van de oorlog wijst erop dat de moslims de overwinning zullen behalen. Als het gaat zoals ik vermoed, zullen de moslims jullie zeker over de kling jagen. Daarom moeten wij snel maatregelen nemen!…”12 De joden, die deze woorden met grote opwinding en angst hadden aangehoord, waren zeer ingenomen met Nu’aym, die zo met hen begaan was, en zeiden: “Je hebt ons je vriendschap ten volle bewezen. Zeg ons ook welke maatregel wij moeten nemen.” Nu’aym ibn Mas’ûd, die precies daarop had gewacht, zei: “Het juiste is dit: begin in geen geval aan de oorlog tegen de moslims zonder enkele van de voornaamsten van de Quraysh en de Ghatafân als gijzelaars te nemen! Zolang de gijzelaars bij jullie zijn, kunnen zij niet uit de oorlog wegvluchten!” De joden vonden ook dit een uitstekende maatregel; zij bedankten hem en bewezen hem eer en gastvrijheid. Nu’aym verliet de joden en ging rechtstreeks naar het kamp van de Quraysh. Hij zei tegen hun bevelhebbers: “Jullie kennen mijn vijandschap tegen Muhammad en weten hoeveel ik van jullie houd. Ik heb iets vernomen en, zoals onze vriendschap vereist, heb ik het als een grote plicht beschouwd het jullie over te brengen. Maar jullie moeten mij beloven en zweren dat jullie niemand laten horen wat ik ga zeggen!” Zij zwoeren het en zeiden nieuwsgierig: “Spreek, wij luisteren.” Hij zei: “Weet dat de joden van Qurayza er spijt van hebben dat zij een bondgenootschap met jullie hebben gesloten, en dat zij Muhammad hebben laten weten: ‘Wij zullen enkele van de voornaamsten van de Quraysh en de Ghatafân als gijzelaars nemen, om hun het hoofd af te slaan, en hen aan jou uitleveren. Daarna zullen wij ons met jou verenigen en strijden tot wij de afgodendienaren met wortel en tak hebben uitgeroeid! Maar dan moet jij onze broeders, de zonen van Nadîr, vergeven en hun hun land teruggeven!’ En Muhammad heeft deze verzoeken van de joden aanvaard! Als de joden jullie om gijzelaars vragen, ga daar dan in geen geval op in: zij zullen hen allemaal doden! Laat niemand horen wat ik jullie heb gezegd!…” De Quraysh bedankten Nu’aym zeer voor dit belangrijke bericht en bewezen hem veel achting.
“Ik zweer bij Allâhu ta’âlâ, in Wiens machtige hand mijn bestaan is, dat de ontberingen die wij doorstaan, zeker van jullie zullen worden weggenomen en dat jullie naar verlichting zullen worden gevoerd” Hadîth sharîf
Nu’aym ibn Mas’ûd (radiyallâhu ’anh) vertrok vandaar en ging naar de Ghatafân. Ook hun vertelde hij wat hij de Quraysh had verteld.
Een dag later liet de bevelhebber van de Quraysh de zonen van Qurayza weten: “Het is voor ons nu erg moeilijk geworden hier te blijven, want het is koud en onze dieren sterven van de honger. Laten wij ons vannacht goed voorbereiden en morgen allen samen een hevige aanval inzetten.” De joden antwoordden: “Ten eerste strijden wij niet op zaterdag. Ten tweede moeten jullie, om ons aan de strijd met jullie te laten deelnemen, ons vele van jullie voornaamsten als gijzelaars geven. Als het beleg lang duurt en jullie machteloos naar jullie land teruggaan, hebben jullie ons aan Muhammad uitgeleverd. Als jullie gijzelaars geven, zullen jullie ons niet in de steek laten!…” Toen dit bericht de bevelhebber van de Quraysh bereikte, zei hij: “Dus de woorden van Nu’aym ibn Mas’ûd waren waar!” De Quraysh lieten de joden opnieuw weten: “Wij geven jullie niet één van onze mannen als gijzelaar. Als jullie morgen komen en met ons strijden, dan is het goed; zo niet, dan gaan wij naar ons land terug en blijven jullie alleen tegenover Muhammad en zijn Metgezellen achter!…”
Toen de joden van Qurayza dit hoorden, dachten zij dat de woorden van Nu’aym waren uitgekomen, en antwoordden: “In dat geval zullen ook wij ons niet met jullie verenigen om tegen de moslims te strijden…” Zo sloeg aan beide kanten de angst toe.13 Jibrîl ’alayhis-salâm kwam bij onze Meester de Profeet en bracht hem de blijde tijding dat Allâhu ta’âlâ de afgodendienaren met een orkaan uiteen zou slaan. Daarop zonk de Meester der werelden op zijn gezegende knieën, strekte zijn gezegende handen uit en betuigde Allâhu ta’âlâ zijn dankbaarheid met de woorden: “O Allah! Ik dank U, omdat U Zich over mij en mijn Metgezellen hebt ontfermd.” Daarna deelde hij de blijde tijding aan zijn heldhaftige Metgezellen mee. Het was de nacht van vrijdag op zaterdag. Een verschrikkelijke duisternis bedekte alles; men kon geen hand voor ogen zien. Toen kwam er een bijtende vorst en daarna begon een zeer krachtige wind te waaien.
Hudhayfa ibn Yamân vertelde over deze nacht het volgende: “Het was een nacht zo donker als wij tot dan toe nog nooit hadden gezien. Met deze dichte duisternis begon ook een verschrikkelijke wind te waaien, met een geraas als van de donder. Op dat ogenblik liet onze Meester de Profeet ons weten dat het leger van de afgodendienaren door onrust en angst was bevangen en dat zij onderling in onenigheid waren geraakt. Wij konden door de bittere kou, de honger en de verschrikking van de nacht niet opstaan; wij wachtten waar wij waren, met iets over ons heen. Rasûlullah stond op voor het gebed en bracht een deel van de nacht in gebed door.
Daarna wendde hij zich tot ons en zei: ‘Is er onder jullie iemand die naar het leger van de afgodendienaren gaat, hun toestand onderzoekt en mij bericht brengt? Ik zal Allâhu ta’âlâ vragen dat wie dit bericht brengt, in het Paradijs mijn metgezel zal zijn.’ De aanwezigen konden door de bittere honger en kou niet opstaan. Toen kwam onze Meester Rasûlullah naar mij toe. Ik zat op mijn beide knieën, ineengedoken van kou en honger. Onze Meester Rasûlullah raakte mij aan en vroeg: ‘Wie ben jij?’ Ik zei: ‘Ik ben Hudhayfa, yâ Rasûlallah.’ Onze Meester Rasûlullah zei: ‘Ga kijken wat die mensen doen! Schiet tot je bij mij terugkomt geen pijlen of stenen op hen af en sla niet met speer of zwaard. Tot je bij mij terugkomt, zul je geen schade lijden van kou of hitte, en zul je niet gevangengenomen of gefolterd worden.’
Ik nam mijn zwaard en mijn boog en maakte mij klaar om te gaan. Onze Meester Rasûlullah deed voor mij deze smeekbede: ‘O Allah, bescherm hem van voren en van achteren, van rechts en van links, van boven en van onderen.’
Ik begon naar de afgodendienaren te lopen. Het was alsof ik in een badhuis liep. Bij Allah, er was in mij geen angst, geen kou en geen huivering. Ten slotte kwam ik bij het kamp van de afgodendienaren aan. Hun bevelhebbers en voornaamsten hadden achter een beschutting een vuur aangelegd en warmden zich. Abû Sufyân zei: ‘Wij moeten hier weg.’ Meteen kwam de gedachte bij mij op hem daar te doden. Ik haalde een pijl uit mijn pijlkoker en legde die op mijn boog. Ik wilde hem treffen in het licht van het vuur. Juist toen ik wilde schieten, herinnerde ik mij dat Rasûlullah had gezegd: ‘Tot je bij mij terugkomt, mag je geen enkel incident veroorzaken’, en ik zag ervan af hem te doden. Daarna voelde ik een sterke moed in mij. Ik sloop tussen de afgodendienaren en ging bij het vuur zitten. De ongekend hevige wind en het onzichtbare leger van Allâhu ta’âlâ (de engelen) deden met hen wat zij met hen moesten doen. Door de wind vielen hun potten en pannen om, doofden hun vuren en lichten, en stortten hun tenten boven op hun hoofden in. Op een gegeven moment stond Abû Sufyân, de bevelhebber van het leger van de afgodendienaren, op en zei: ‘Er kunnen verkenners en spionnen onder jullie zijn; pas op! Laat ieder kijken wie er naast hem zit! Laat ieder de hand vasthouden van wie naast hem zit!’ Het was alsof Abû Sufyân aanvoelde dat er een vreemde onder hen was gekomen. Ik stak onmiddellijk mijn handen uit, greep de handen van de twee mannen rechts en links van mij en vroeg hun naar hun naam, voordat zij mij de mijne vroegen. Zo voorkwam ik dat ik werd herkend. Ten slotte sprak Abû Sufyân zijn leger als volgt toe: ’O Quraysh! Dit is geen plaats om te blijven. De paarden en de kamelen zijn begonnen te sterven. De hongersnood heeft ons van alle kanten ingesloten.
Jullie zien wat de wind ons heeft aangedaan. Breek onmiddellijk op en vertrek! Ik ga nu!’ – en hij steeg op zijn kameel. Het leger van de afgodendienaren verzamelde zich in deerniswekkende toestand en ging op weg naar Mekka. Er regende zand en grind op hen neer.14 Toen het leger van de afgodendienaren was vertrokken, liep ook ik terug naar onze Meester Rasûlullah. Halverwege verschenen er voor mij ongeveer twintig ruiters met witte tulbanden (de engelen). Zij zeiden tegen mij: ‘Bericht Rasûlullah: Allâhu ta’âlâ heeft de vijand uiteengeslagen…’ Toen ik bij onze Meester Rasûlullah terugkwam, verrichtte hij het gebed op een kelim. Maar zodra ik terug was, begonnen de kou en het rillen die ik vóór mijn vertrek had, opnieuw. Na het gebed vroeg onze Meester Rasûlullah mij welk bericht ik bracht. Ik vertelde hem in welke deerniswekkende toestand de afgodendienaren waren geraakt en dat zij waren vertrokken. Rasûlullah was zeer verheugd over dit bericht en glimlachte. Wij hadden al dagenlang niet geslapen. Onze Profeet nam mij bij zich en legde een punt van de kelim die hij over zich had, over mij heen. Zo brachten wij die nacht tot de ochtend door. In de tijd van sahar wekte Rasûlullah mij. Toen het ochtend werd, was er van het leger van de afgodendienaren geen spoor meer over.” Tot zij Mekka naderden, waaide er achter hen een hevige wind en hoorden zij achter zich steeds het geluid van takbîrs.
Toen de afgodendienaren van de Quraysh hun kamp verlieten en vluchtten, verlieten ook de andere stammen van afgodendienaren, die hen gevolgd waren, Medina. Zij verdronken in het verdriet en de smart van een zeer grote nederlaag, die zij nooit zouden kunnen vergeten. Terwijl zij deze nederlaag leden, wierpen de Meester van het universum (sallallâhu ’alayhi wa sallam) en zijn roemrijke Metgezellen (radiyallâhu ’anhum) zich voor Allâhu ta’âlâ neer in een sajda van dankbaarheid, prezen Hem en betuigden Hem hun dank.
“O Allah! Ik dank U, omdat U Zich over mij en mijn Metgezellen hebt ontfermd” Hadîth sharîf
Onder de kreten “Allâhu akbar! Allâhu akbar!…” sloegen de mujâhids de weg naar het stralende Medina in. De straten van Medina stroomden in een oogwenk vol kinderen, die naar buiten waren gekomen om de Sultan van het universum en hun gezegende vaders, ooms van vaders- en moederszijde en oudere broers te verwelkomen. Ook onze Meester de Profeet beantwoordde hun groet met een glimlach… In de Slag bij de Gracht waren zes martelaren gevallen… Over deze veldtocht zegt Allâhu ta’âlâ in de edele verzen in betekenis: “Allâhu ta’âlâ heeft die ongelovigen (van de Slag bij de Gracht) met hun woede teruggedreven, zonder dat zij enig goed of enige overwinning bereikten. Zo was Allâhu ta’âlâ (met de engelen en de wind) voor de gelovigen in de strijd voldoende (om te slagen). Allâhu ta’âlâ is tot alles in staat. Hij is ’Azîz, Hij overwint alles.”15
“O jullie die geloven! Gedenk de gunsten van Allâhu ta’âlâ aan jullie. Toen er (in de Slag bij de Gracht) legers op jullie afkwamen, zonden Wij tegen hen een wind en legers (van engelen) die jullie niet zagen…”16
Na deze slag zei onze geliefde Profeet: “Nu is het jullie beurt. Voortaan kunnen de Quraysh niet meer tegen jullie optrekken.”
De Slag tegen de Banû Qurayza
